|
Hans Groenewegen
Nieuwe vingers, lange tenen
Over Bang voor de bal van Tsead Bruinja, Cossee, Amsterdam 2006
Kwaliteit schuilt niet altijd in de perfectie.
Kwaliteit uit zich soms in de wil en het vermogen
van een dichter om van poëtische
middelen te veranderen als hij de oude in
de vingers heeft. Breukvlakken, experimenten,
doodlopende steegjes roepen een nerveuze
leesspanning op. De dichter die je
leest, tast met nieuwe vingers waarin de
tastzin nog in ontwikkeling is. Hij neemt het
risico voor je ogen te mislukken. En je voelt
dat hij dat risico ook plaatsvervangend voor
jou neemt. Daarom, al bestaan die nieuwe
middelen voor een deel uit een greep naar
het arsenaal dat eerder door anderen is gebruikt,
de veranderingen die voor je ogen
worden uitgeprobeerd dagen je uit om zelf
je eigen positie als lezer te heroverwegen.
Bang voor de bal (2006), de derde Nederlandstalige
dichtbundel van de Fries-Nederlandse
dichter Tsead Bruinja, is zo’n bundel
waarin iemand zijn vertrouwde dichterlijke
procedures openbreekt. Hij verandert daarmee
de verhoudingen van schrijver en lezer
tot het gedicht.
Bruinja debuteerde in 2003 in het Nederlands
met Dat het zo hoorde. Een jaar later
volgde Batterij. Om greep te krijgen op wat
Bruinja in zijn poëtische strategie verandert,
zou je een grove zeef kunnen maken
met drie gaten. Onder het eerste gat vormt
zich een hoopje lyrische gedichten. Ze hebben
een ikperspectief en de muzikale strategieën
overheersen. Onder het tweede hopen
zich anekdotische gedichten en portretten
op. Ik veeg die voor de gelegenheid bij
elkaar. Een portret ontstaat vaak uit een
anekdote. Anekdotes zijn gekruid met kwalificerende
contouren van een portret. Onder
het derde gat klonteren tussenvormen,
vaak met surrealistische trekken of absurde wendingen. Ik citeer uit de eerste bundel
als voorbeeld van zo’n tussenvorm
‘appels kopen’:
kruimelig rijp verdriet spiegelt haar
in de bakken van de marktkoopman
delicaat is zij die van appels houdt
hij ziet dat hij ziet haar weerbarstig
lachend om zijn zoetzure grappen
‘t liefst trekt hij een knipmes nu
en toont haar de helften ruwe pit
ze twijfelt voor wat lijkt een vruchtloos uur
krap aan haalt ze de laatste bus
als zij naar het danshuis gaat
draagt ze een mand vol rode wangen
daar aan haar zongekleurde armen
bedelen kindmannen hangend
om watervrucht mee naar dakhuis dak
maar zij komt voor het dansen
als zij komt komt ze voor het dansen
als zij komt gaat alles dansen
mag een gospelgilletje over komen varen
uit het zuiden van tabak ver amerika
mijn slotheupen willen wiegen
zich in haar leegte wagen
tot dageraad me komt breken
en zij weer naast me slaapt
De dichter vertelt een anekdote om een
vrouw te karakteriseren. Dat het portret
over de band ontstaat, worden we meteen
in de eerste regel gewaar. Bruinja gebruikt
het woord ’spiegelt’. In een geschreven portret
zijn het vanzelfsprekend altijd woorden
waarmee de schrijver die persoon spiegelt.
Hier verwijzen de bespiegelende woorden
naar een vooralsnog onherleidbaar ‘kruimelig
rijp verdriet’. Zouden de appels in de
anekdote van inferieure kwaliteit zijn, zoals
vaker op de markt, al te rijp en daardoor
melig? Het gedicht vertelt van een aantrekkelijke
vrouw die op de markt appels wil
kopen. Of ze de verlangde vindt, is de
vraag. In de derde strofe is namelijk sprake
van ‘een vruchtloos uur’. Wel treft ze een
duistere, nogal dubbelzinnige marktkoopman.
Zijn appels deugen niet, in plaats
daarvan zijn zijn grappen appelig, ze smaken
zoetzuur. En of hij zelf nu de perfide
omkering van het type ruwe-bolster-blankepit
is, of dat zijn melige appels en grappen
een ‘ruwe pit’ hebben is onduidelijk.
De anekdote gaat verder bij de eenregelige
strofe waarin de dame van vooralsnog
onbesproken gedrag net ‘de laatste bus’
haalt. Je zou denken de laatste bus van de
markt naar huis. Maar in het vervolg lijkt
het er eerder op dat die enkele regel een
dubbele lading heeft waarin een tijdsprong
in de anekdote verborgen gaat. Gaat het
niet om de laatste bus vanuit een buitenwijk
naar het centrum van de stad om in
een disco de nacht door te halen?
De anekdote krijgt vervolgens een grotesk
trekje, al is de oorspronkelijke mand
appelen in de mand appelrode wangen aan
de arm van deze Roodkapje fatale nog wel te herkennen. In het woord ‘mand’ gaat
een nu schaamtevolle man schuil. Sterker
nog. Als een omgekeerde Blauwbaard heeft
de dame een mand gescoorde ‘kindmannen’.
Anders dan Blauwbaard is ze autonoom.
Hij wil vrouw na vrouw. Dat gebrek
aan autonomie wordt hem in het verhaal
met zijn naam uiteindelijk ook fataal. De
vrouw in dit gedicht heeft geen enkele behoefte
aan die mannen die aan haar hangen.
Ze heeft er ook geen moeite mee. Zij
is zelfgenoegzaam. Ze wil alleen maar dansen.
Daar in de eerste drieregelige strofe en
in de daarop volgende neemt langzaam de
muziek het heft van het gedicht in handen.
Men meent wel eens dat het muzikale in de
poëzie voorrang geeft aan het betekenisloze.
Hier ontketent het eerder een meerzinnigheid
die de hele anekdote die de vrouw
tekent, op zijn kop zet. En die het tijdsverloop
ervan op een mysterieuze wijze ontregelt.
De deinende herhalingen en variaties
van de woorden ‘komt’ en ‘dansen’ monden
uit in een orgasme, inclusief een vreugdevolle
kreet. En er is wellicht een voldaan
gerookt sigaretje, zo een waarvan de koele
rook peinzend gelukkig over de vermoeide
naakte zweet beparelde lichamen wordt
geblazen.
De muziek brengt een lyrisch element in
dat zich in de slotstrofe vol ontvouwt. Daar
blijkt ineens dat in het gedicht geen koel observerende
dichter aan het woord is, maar
dat het gedicht een ikperspectief heeft. De
minnaar obeserveert zijn geliefde. Gaat als
zij klaarkomt voor hém alles dansen?
Door het naar boven komen van de lyrische
gesteldheid van het gedicht transformeren
portret en anekdote. Elk lyrisch gedicht
is in de eerste plaats een zélfportret.
Hier schetst de lyricus zijn gemengd droevig-
vreugdevol gemoed. De vreugde herkennen
we in de wijze waarop hij zijn geliefde
waarneemt. De droefheid en onmacht, want
ook in deze versie van het gedicht blijft zij
soeverein, komen allereerst naar voren in
de perspectiefkerende laatste strofe. Alsof
het gedicht zelf iets van het verlangende
lichaam van de dichter heeft, spreekt hij
aan het slot van het gedicht van ‘slotheupen’.
Het kundig geplaatste woord spreekt
echter ook onmacht uit. De heupen van het
lyrisch subject willen meewiegen, als zijn
actieve geliefde naar haar hoogtepunt
danst. Maar zijn lichaam zit op slot. Waar
zij dans is, is hij star. Hij wil zich laten gaan,
komt echter niet verder dan het ‘willen’
‘wagen’. En in de ochtendrand van de
nacht, waarin traditioneel het afscheid van
de minnenden plaatsvindt zoals de middeleeuwse
troubadours al in hun dageraadsliederen
bezingen, volgt een schlemielig
scheiden van de geliefde. Alleen in de
lyrisch gebruikte taal krijgt dat afscheid iets
heroïsch, al schemert er door de heroïek
het zelfmedelijden van een machteloze
minnaar. De dichter breekt het floskel van
het aanbreken van de dag open. De in zijn
heupen opgesloten minnaar is zelf aangebroken.
Er is geen sprake van een smartelijke
omarming met een glorieuze belofte
voor een volgende verboden nacht. Met het
ochtendgloren is de vrouw woordeloos in
slaap gevallen. Er is geen intiem samen slapen
van gelukkige minnaars. In haar slaap
is zij voor hem nog even onbereikbaar als in
haar zelfgenoegzaam erotisch spel.
De anekdote zou nu maar zo als volgt
kunnen luiden. Twee gelieven speelden hun
nachtelijk spel van de minne. Hoe dat spel
verliep verbeeldt de lyrisch ik in een verhaal
over zijn geliefde en een marktkoopman die
appels verkoopt. Hij zelf is de appelkoopman
die de onweerstaanbare vrouw probeert
te verleiden. Vergeefs. Het lyrische
subject is van het onschuldige type dat in
zijn fantasieën wild is. Hij fantaseert hoe
het zou zijn als in zijn blanke bolster een
ruwe pit schuilging. Op het laatste nippertje,
als het verleidingsuur vergeefs lijkt te
zijn geweest, ontvlamt er toch iets. Zij vertrekt
met haar van opwinding hoogrode, en
jaloerse – want voedde niet zijn jaloezie de
woordsprong van de enkelvoudige ‘mand’
naar het meervoud ‘kindmannen’? – volslagen
afhankelijke minnaar naar het danshuis,
de slaapkamer. Het danshuis is een
dakhuis. De slaapkamer is vermoedelijk boven.
Tegelijk gaan we natuurlijk naar het
hoogtepunt in het gedicht toe, waarin alles
dansen gaat op haar autonome ritme. De
verstijfde minnaar staat erbij en kijkt ernaar.
Na haar hoogtepunt gaat ze liggen en valt
naast hem in slaap.
Maar heeft hij zich met zijn droef verliefd
gemoed bij haar neergelegd? Misschien
staat zijn schrijftafel naast hun bed. Hij zou
zomaar daar naast haar kunnen zitten, met
een pen stijf in de hand geklemd. En heel
hun liefdesspel in haar regie, waarin zijn
onsamenhangend verdriet gerijpt is, spiegelt
hij nu in een anekdote over haar en
een marktkoopman. Je zou kunnen zeggen
dat hij in die droomachtige anekdote met
mythische reminiscenties de regie naar
zich toe probeert te trekken. Verleidde in
het paradijs niet de slang de vrouw Eva met
de appel waarmee zij haar man Adam verleidde?
Hijzelf zou deze malicieuze marktkoopman
kunnen zijn. Met de nadere bepaling
‘delicaat’ lijkt zij even zelf een appel
voor fijnproevers. Zo ruw is de pit van de lyricus
echter niet. Hij eigent zich haar in zijn
vertelling niet alsnog toe. Hij legt zich bij de
bedroevende en beschamende gang van
zaken neer. Deze dame doet hij het kwaad
niet aankleven. Zij laat in het eerste deel
van het gedicht de minnaar/koopman/
slang een blauwtje lopen. Aan het eind
blijkt hij zichzelf te hebben geportretteerd
in het licht van haar onschuldige slaap. Van
het gedicht zelf is dat het enige tijdsverloop:
een machteloze man, een tot onschuld
gedoemde, bezingt zijn autonome geliefde
die hij zo tot een soevereine maakt. Onheroïsch
is hij in de anekdote die hij als metafoor
van zijn liefde presenteert, heroïsch in
het transformeren van zijn onsamenhangend
verdriet in een samenhangend lied.
‘appels kopen’ is vanuit mijn grove indeling
te karakteriseren als een lyrisch anekdotisch
gedicht. Het heeft wat surreële trekken
in zijn associaties. Het is daarmee in
milde vorm typerend voor de werkwijze die
Bruinja in zijn beide eerste bundels hanteert.
In veel gedichten is het associatieve
meer geconcentreerd. De associaties komen
niet allereerst uit het woordmateriaal
voort, maar uit private niet onmiddellijk te
duiden beelden. Hun ordening lijkt vooral
intuïtief tot stand te zijn gekomen, middels
niet berekende of beredeneerde muzikale
beslissingen. Onder muzikaal versta ik dan
klank en ritmiek. Ritme werkt niet alleen in de materiële kant van het woordmateriaal
– accenten, lange en korte lettergrepen.
Ook in de visuele afwikkeling van gebruikte
beelden is ritme werkzaam. Evenals in de
betekenissen. Het begrip klank heeft een
vergelijkbaar brede inhoud. Per strofe van
‘appels kopen’ zou je een stemmingsanalyse
kunnen maken, die laat zien hoe los
van de dans van de korte en lange a’s en
o’s in het gedicht, een stemmingsverloop
geconstrueerd is.
Ik gebruik ‘geconstrueerd’ omdat intuïtie
geen buitenpersoonlijk of buitenhistorisch
begrip is dat losstaat van ontwikkelend
vakmanschap. Intuïtie ontwikkelt zich
uit lees-, leef-, luister- en schrijfervaring en
uit de oefening en het vermogen er tegen
remmen van redelijke overwegingen of persoonlijke
gevoelens als schaamte, gehoor
aan te geven. In het geval van Bruinja zal
zijn dichterlijke intuïtie onder andere nader
bepaald zijn door zijn primaire tweetaligheid.
Door dat primaire hoofdelijk grensverkeer
tussen Fries en Nederlands kan het
asscociatievermogen op alle taalniveaus in
permanente staat van paraatheid verkeren.
Door de particulariteit en onherleidbaarheid
en door de droomachtige, onrealistische
beelden hebben de associatieve
sprongen en montages in de eerste twee
bundels van Bruinja surrealistische kanten.
Zeker ook in de prozagedichten die het
debuut bevat, is gewerkt met de technieken
van de droomarbeid. Daarnaast houdt
Bruinja ervan een absurdistische wending
in te zetten, die een gedicht een onverwachte
betekenis kan geven.
De paradox van deze poëzie is dat zij
enerzijds op particuliere associaties berust,
maar dat ze zich daarin juist aan de controle
van de auteur lijkt te onttrekken. Hij
laat technieken prevaleren die bij hun hanterering
niet meteen betekenis hebben,
maar wel een eigen dwingende logica. In
het tweede deel van ‘appels kopen’, na de
scharnierstrofe van één regel, stuwen klank
en ritme het gedicht voort. Ze gaan de betekenis
sturen. De eenvoudige anekdote van
het begin krijgt surreële trekken, alsof het
verlangende stuwende ritme ook het beeldgebruik
beïnvloedt. Uit de veelheid van associaties
en beelden die zich aandienen,
kiest de muzikale intuïtie de juiste, in de
treffende woordvolgorde.
Tijdens het schrijven laat de dichter toe
dat het gedicht zich aan zijn bewuste controle
onttrekt. De dichter laat zich door die
schijnbaar betekenisloze mechanismen leiden,
waardoor de betekenispotentie van
het gedicht explosief groeit. Het gedicht
wordt een autonome betekenisbron buiten
hem, waaruit onuitputtelijk betekenis vloeit
over onze wereld en over zijn wereld. Het
gedicht vernieuwt en verfrist hem. Hij kan
er zichzelf en zijn omgeving mee onderzoeken
op een onalledaagse manier. Het gedicht
geeft hem meer terug dan hij tijdens
het maken kon bevroeden. Opgetrokken uit
de particuliere associaties van de dichter,
biedt het door zijn innerlijke schriftuurlijke
logica de dichter de gelegenheid los te
komen van zijn particuliere fixaties.
Dat laatste is precies het aanbod dat
ook ik als lezer van dergelijke poëzie krijg.
Het gedicht biedt me de mogelijkheid alles
wat ik in me heb aan ervaring en associatie
te mobiliseren, en door de ordeningen van
het gedicht te herschikken. Ik ben overgens niet vrij om met het gedicht te doen
wat ik wil. De overvloeiende autonome betekenisbron
die het gedicht is, maakt me vrij
met de elementen van het gedicht. Verkocht
de marktkoopman peren, dan was de vrouw
niet gaan dansen. Misschien was er in
plaats van een dansritme een marsritme
ontstaan. Ik had als lezer niet Adam en Eva
kunnen reminisceren. Was het ritme stroef,
was er niet de beweging van de lange en de
korte a’s en o’s, zou ik in mijn vrijheid een
andere kant zijn opgestuurd.
Soevereine minnares, muze – duikt in een
gedicht de geliefde op dan ligt een interpretatie
om de hoek dat de dichter in het
gedicht greep probeert te krijgen op zijn
métier. De autonome geliefde is dan gemakkelijk
tot een beeld gemaakt van het autonome
gedicht. In een dergelijke lezing drukt
‘appels kopen’ evengoed uit dat de dichter,
hoewel door innerlijke noodzaak tot haar
veroordeeld, zich er niet altijd gemakkelijk
bij voelt. Wellicht voelt hij zich evenmin gemakkelijk
bij de vrije interpretatiedans van
een lezer. Die ongemakkelijkheid kan hem
er toe hebben gebracht te werken aan wijziging
in zijn verhouding met de muze.
Ik maakte een grove indeling in drieën
om greep te krijgen op enkele veranderingen
in de poëzie van Tsead Bruinja. In Dat
het zo hoorde is een zestal gedichten te
kwalificeren als portret of anekdote. Zestien
gedichten zou ik lyrisch noemen, zeventien
hebben een tussenvorm. De meesten daarvan
zijn compacter en surrealistischer dan
het hierboven besproken ‘appels kopen’. In
Batterij zijn de verhoudingen al enigszins
verschoven. Twaalf gedichten komen op de
grote lyrische hoop, elf op die van de tussenvormen
en vijftien rangschik ik onder de
portretten en anekdotes.
De verschuiving gaat gepaard met opener
teksten en met een opening naar de
wereld. Het is alsof de grote receptiviteit
voor het innerlijk taal- en beeldbroeien naar
buiten wordt gekeerd. We zijn door taal,
beelden, muziek, geuren uit werelds materiaal
geweven, maar ervaren ons vaak als
eigen weefsel. Bruinja merkt dat als het ‘in’
hem beweegt en trekt, het die wereld is die
de touwtjes in handen heeft. Een gedicht
dat ik, al is het in geringe mate door muzikale
elementen bepaald, lyrisch noem, laat
de verschuiving uitkomen:
ik ben in een wereld aanwezig
waarin een toneel
waarop de wereld maar dan niet
uitvergroot ons genoeg interesseert
ik ben in een wereld aanwezig
die ik wilde aanklagen
maar de klacht groeide uit
tot wat me fascineert
en ik trok haar aan
keek door dezelfde ogen
de kleren die ik koop zijn duur
de waanzin waarin ik me hul
is niet gespeeld
de hand die ik aan mezelf
doet wat mijn hand doet
geen toneel
Ik weet niet of de onbeholpenheid van dit
gedicht gespeeld is. Het lyrisch subject begint
met een ingewikkelde, overbewuste
plaatsbepaling. In de context die ik nu gecreëerd
heb, spreekt een dichter die zich
zelf letterlijk uit de droom heeft geholpen.
Geen associatief beeld, maar een bedacht
moeizaam ogende redenering betreffende
verhouding van wereld en kunst. In de
kunst komt de wereld aan de orde, maar
dan in behapbare vorm. In de kunst is de
wereld hanteerbaar gemaakt.
Ook de volgende strofe oogt niet gemakkelijk.
De spreker gaf zichzelf een profetische
opdracht: het aanklagen van de wereld.
Maar is het nu zo dat het klagen zelf
hem ging fascineren, of dat de aangeklaagde
wereld hem in haar greep kreeg? Of
staat er elliptisch dat hij niet langer alleen
klaagt, maar dat zijn klaaglied ook een
(lof)zang werd op de fascinerende kanten
van de wereld?
De eerste enkele regel roept ook de associatie
op dat de profetische dichter zich
het lot van de wereld aan heeft getrokken.
Deed hij dat in zijn lied? Gaf zijn lied hem
vervolgens de ogen van de wereld, zodat hij
met vreemde ogen zichzelf kon zien? Als je
dat erin kan lezen, is hier beschreven wat ik
boven aanduidde als gulle gaven van gedichten
die zich aan de bewuste greep van
hun auteur onttrekken. De dichter begint
aan een gedicht (hier een klacht). De tekst
begint zich buiten zijn macht te ontwikkelen
(hier tot wat hem fascineert). Het gedicht
dat daaruit ontstaat, biedt hem een nieuw
zicht op zichzelf. Er volgt een zelfbeschrijving.
Daarin wordt gestipuleerd dat de
kunstmatige afstand die de wereld hanteerbaar
maakte, wegvalt. Het gedicht begint
bij een wat gewrongen rationele controle.
Het eindigt in gebrek aan controle – ‘waanzin
(...) niet gespeeld’ – en zelfvernietiging
– geïmpliceerd in de ellips, als lezer vul je
de zin ‘de hand die ik aan mezelf’ automatisch
aan met ‘sla’. Het geïmpliceerde ‘de
hand aan mezelf slaan’ vervloeit met de
act van het schrijven. Dat is immers wat de
hand van de schrijver doet. Deze dichter
zoekt zich een nieuwe weg. Misschien trekt
hij hier zijn nieuwe vingers nog terug. Maar
in de volgende bundel verschuift hij helemaal
van de kant van het ‘automatische’
schrijven – de hand doet wat de hand doet
en is direct aangesloten op droomtoestand
van woorden, beelden en muziek –, naar
het ‘calculerende’ schrijven.
Bang voor de bal toont Bruinja als een zoekende,
construerende dichter. De bundel
bevat nog maar vijf direct lyrische gedichten,
van de tussenvorm evenveel. Het merendeel
valt onder het hoofdje portretgedichten/
anekdotische gedichten. Nieuw daarbij
is het genre van de readymade. Ik reken ze
voor deze gelegenheid tot diezelfde categorie,
omdat de readymade vanuit een vergelijkbare
schrijfhouding is geschreven.
Het naar middelen en technieken zoekende
karakter van deze bundel komt ook tot
uitdrukking in het feit dat Bruinja gedichten
heeft opgenomen die je zou kunnen opvatten
als schrijfoefeningen ‘in de trant van’.
Bruinja verwijst er soms zelf in een aantal
motto’s en opdrachten naar. Hij draagt een
gedicht op aan Martin Reints. Dat gedicht
is overigens minder dan andere opgenomen
gedichten in de trant van Reints geschreven. Herkenbaar is soms de gedistantieerd
betrokken toon van Mustafa Stitou.
Tweemaal gebruikt hij een motto van F. van
Dixhoorn. Dat is veelzeggend. Van Dixhoorn
is de meest constructivistisch dichter van
dit moment. Dat uit zich zowel in de plastische
kant van diens poëzie, als in zijn zeer
gecalculeerde gebruik van de spreektaal.
Misschien is Van Dixhoorns werk vanuit het
perspectief van de readymade te beschouwen.
Zijn cycli zijn als een open gestelde
geest waarin waarnemingen en gedachten
in een ruim ritme zijn ondergebracht. In die
persoonlijke ritmes lijken ook vele op straat
opgevangen zinsflarden een plaats te hebben
gekregen.
De readymades deden zich vroeger misschien
voor als toevallige vondsten. Ze waren
het natuurlijk niet. De dichter die iets
vond, vond iets dat in zijn concept paste.
Het concept waarmee hij de straat opging
ordende zijn waarneming zo, dat hij opving
wat paste.
Er is in de Nederlandse poëzie een vernieuwde
aandacht voor het genre. Als ik
moet gokken wie ermee begonnen is, zou
ik zeggen Mustafa Stitou in Mijn gedichten
(1998). Daarin bewerkt hij o.a. folders en
krantenberichten. Varkensroze ansichten
(2003) bevat ook verschillende readymades.
Bovendien lijkt een aantal van de
vele anekdotische gedichten in die bundel
readymades als kern te hebben. Alfred
Schaffer, een dichter van dezelfde generatie
als Stitou en Bruinja, hercombineert zijn
jongste bundel Schuim (2006) een overheidsfolder
over terrorisme tot een hele
cyclus. Het zijn die readymades op basis
van geschreven materiaal die het helderst
tonen dat ze resultaat zijn van dichterlijke
constructie.
Je kunt de populariteit van de readymade
in de hedendaagse Nederlandse
poëzie ook nog op een ander niveau dan
het anekdotisch aanwijzen. Een veel gebruikte
techniek is de montage van ongelijksoortige
elementen – die koppeltechniek is
niet nieuw, in andere stromingen als het
surrealisme wordt ze op eigen wijze ingezet.
De manier waarop (de beelden van) de
werkelijkheid zich in hoge snelheid en fragmentarisch
opdringen, wordt als methode
in de gedichten gebruikt. Die techniek is de
hedendaagse schriftuur van het realisme.
Er worden overigens zeer verschillende resultaten
mee bereikt. Alfred Schaffer, Tonnus
Oosterhoff, Erik Jan Harmens, Jannah
Loontjens, F. van Dixhoorn en Tsead Bruinja
kunnen technisch op elkaar lijken, maar dat
maakt hun poëzie nog niet onderling verwisselbaar.
Tekenend voor de nieuwe spanning in het
werk van Tsead Bruinja is ‘Koppelbaas’:
vader die niet goed kon melken stond vroeg op en droeg kalm
zijn arbeiders op wat te doen eindeloos was zijn vindingrijkheid zijn machine
kon tegelijk klappen en rooien totdat mijn tere en bleke zus
is na haar brandwonden rustiger geworden en het zou een gemiste kans zijn
de subtiele verschuivingen in haar karakter ongebruikt en onbenut te laten
men wil het pand tijdens de brand zien en niet het krot erna
men weet de boodschap is een bouwval het nieuws vluchtig maar welk
dwaallicht schemert er nu door mijn grijze haar welke zoete onrust zoekt
naar die zachte tourette in mijn tong die gemene dans die haar
van me wegduwen zal hoe krijg je twee lelijke mensen bij elkaar
zodat je in een keuken kan gaan staan luisteren met een gezicht
als een versleten oude broek met een gezicht alsof je poepen moet
Die koppelbaas moet wel de dichter zijn. In
het gedicht is weinig dat de titel rechtvaardigt.
Omdat Bruinja geen leestekens gebruikt,
zijn de breuken tussen de verschillende
gemonteerde elementen goed voelbaar.
Je ogen lopen voorbij een breuk vast. Ze
moeten terug naar de lasnaden, zoals die
in regel drie tussen ‘totdat’ en ‘mijn tere’.
De eerste strofe serveert op onderkoelde
wijze een familiedrama uit. In de derde
regel wordt de brand uitgespaard die in de
laatste regel op onpersoonlijke wijze als
fascinatie alsnog aan de orde komt. De oorzaak
van de brand blijft beschuldigend suggestief,
juist omdat er zo wreed over de gevolgen
wordt gesproken. Wijst het gedicht
de slecht melkende, knutselende vader
aan, of de onrustige zuster? Het is de spanning
tussen constructie (vader) en impuls
(zuster).
De tweede strofe werkt met die spanning
op een ander niveau door. De eerste regel
staat in een kruisstelling met de laatste
regel van de eerste strofe: de brand is het
vluchtige nieuws, het resultaat krot of
bouwval. De dichter lijkt zich neer te leggen
bij de fragmentarische uitkomst van zijn
constructieve pogingen. Bouwen is zelfs
breken. De boodschap is geen bouwplaats,
maar een ruïne. Dichten is spreken, een
ontregeld spreken. Of een spreken dat
voortdurend door autonome krachten uit
een ander bereik dan dat van de bewuste
overdracht of dat van het samenhangend
betoog, onderbroken dreigt te worden. Hier
aangegeven door de combinaties ‘zoete onrust’,
‘zachte tourette’, ‘gemene dans’.
Het syndroom van Gilles de la Tourette
omvat een grote variëteit aan onbeheersbare
tics, zowel in lichaamsbewegingen als
in taaluitingen. De vocale tics zou Julia Kristeva
onder de semiotische chora kunnen
scharen, die betekenisloze lustvolle eigenschappen
van de spraak die de symbolische
orde zo dynamiseren dat er poëzie
ontstaat: bubbelen, klankfonteinen, grommen,
sissen, knorren, kuchen. Ook echolalie,
of het oncontroleerbaar uiten van zinloze
kreten, vloeken, scheld- en schuttingwoorden
hoort bij de tics. Omdat we in het
sociale verkeer intentie veronderstellen,
heeft Tourette ernstige sociale gevolgen. In
het gedicht zien we die aspecten in de slotregels
terug. Wel wringt er naar mijn gevoel
in die slotregels iets. Ze zijn te gecontroleerd,
te bedacht. Kinderlijk provocerend.
Het Tourette-aspect van de poëzie, dat volgens
mij eigenschap is van de eerder genoemde
intuïtie, is hier louter als idee aanwezig.
Volgens mij werkt er in de tweede
strofe geen ongecontroleerde drang of
drift die het gedicht werkelijk vals aan het
dansen krijgt en buiten de controle van de
dichter laat wervelen. Valsheid is natuurlijk
niet aan die oncontroleerbaarheid gebonden. De zeer beheerste regels over zus en
vader in de eerste strofe zijn vals genoeg,
duivelser dan de platte slotregel van de
tweede.
Een groot, soms breed uitwaaierend gedicht
lijkt Bruinja’s drijfveer om te veranderen
aan de orde te stellen. ‘specialist op het
gebied van kozijnen’ schetst een perspectief
dat hij tegen de tegenstemmen in verwacht.
Het is het waard in zijn geheel te
citeren:
het regent en de specialist op het gebied van kozijnen zegt
dat het aan het werk van zijn mannen niet kan liggen
ik zit aan tafel met mijn onderbuurman die na vijf jaar
heeft besloten over de watervlekken heen te verven
vroeger schreef ik gedichten over mijn vader en moeder
over opa’s en oma’s met een rustiek en pijnlijk verleden
nu luister ik naar mijn buurman
in uw huis zullen mensen wonen
die te lui zijn om op te staan
mensen die u niet kent
die werken en weer naar huis gaan
ze worden ouder
ze worden ronder
ze proberen de kilo’s eraf te lopen
ze zwaaien een kind uit
en hangen voor het slapengaan
hun kleren over de stoel
hun leven is een koelkast
waaruit je na een nacht zwaar drinken
een goed belegde boterham
vandaan tovert
ik weet het
er liggen betekenissen op de loer
die dit gedicht kunnen bederven
ergens zingt iemand
kom niet samen
kom niet samen
drijf een wig
maar mijn vrouw houdt mijn week oude nichtje op haar schoot
en ik raak er niet op uitgekeken hoe goed het haar staat
we bespreken hoe het moet met de werkkamer
hoe en waar we zelf dan moeten gaan slapen
een zucht en het kind verdwijnt uit onze gedachten
we slaan een hoek om en zoeken een goed restaurant
stiekem terwijl we al lang over iets anders praten
kijk ik naar het kindje dat niet in haar armen ligt
het ademt en het beweegt
het is er bijna
De context die ik heb gecreëerd maakt een
lezing in korte lijnen mogelijk. De dichter
betrekt een nieuw huis. Vanwege de derde
strofe en de sequentie even over het midden
is dat huis poëticaal op te vatten. De
dichter zit aan tafel en evalueert hoe hij tot
dan toe schreef. Hij schreef over zijn familiale
herkomst, de donkere wortels van zijn
bestaan, over zijn oude huis zou je kunnen
zeggen. Dan bedenkt hij hoe zijn toekomst
eruit kan zien. Ook zijn familiale toekomst.
Hij is volwassen geworden en neemt de verantwoordelijkheid
voor zijn leven. Als voltooiïng
van zijn emotionele en economische
verzelfstandiging, schrijft hij zich aan het
slot naar het vaderschap toe.
De onderbuurman is in deze versie de
onderbewuste drijvende kracht van de gecondenseerde
oude poëzie, waarin de autonome
krachten werken. De watervlekken
doen aan rorschachvlekken denken. Het
lek is met vakmanschap niet weg te werken.
Ondanks dat maakt hij een nieuwe
start. De vertegenwoordiger van de oude
drijfkracht van de poëzie houdt de dichter
voor dat hij door de weg naar de toekomst
in te slaan, zal verburgerlijken. Hij schetst
zijn bovenbuurman, het bewust alterego,
een bedompt beeld van een routineus verlopend
leven van man vrouw kind in goeden
doen.
Naast deze cynisch waarschuwende
onderbuurman zet de dichter zichzelf als iemand
neer die de alternatieven bewust afweegt.
Hij kent, wat hij als gevaar kenschetst,
de oncontroleerbare kracht van de
betekenisvermenigvuldiging. Het is alsof hij
mijn hierboven buiten zijn controle woekerende
duidingen van ‘appels kopen’ heeft
gelezen. Hij kent de vernietigende kracht
van de muzikale elementen. Was het niet
de autonome lichaamsmuziek van de minnares
(en van het gedicht) die in ‘appels
kopen’ de geliefden gescheiden hield?
Tegenover het schrikbeeld van de burgerlijkheid
zet hij een beeld van liefde neer. De
verlangde familiale ontwikkeling bedreigt
inderdaad het dichterschap. Het lot van de
werkkamer is onzeker. Het kwetsbare einde
toont dat het verlangde vaderschap, als
vroeger de autonome poëtische krachten,
sterker is dan hij. Hij verbeeldt het kind ten
leven. ‘[H]et is er bijna,’ schrijft hij in de regel
waarmee hij het gedicht voltooit. Dat is
het perspectief van zijn nieuwe poëzie, dat
hij er (nieuw) leven mee mogelijk maakt,
schept zelfs.
Opnieuw word ik in een poëticale richting
geduwd. Ik realiseer me dat hier het vitalistisch
tegenontwerp staat te gebeuren
van het echec van Nijhoffs ‘Het steenen
kindje’. Breng u te binnen hoe dat gedicht
is opgebouwd. In de nacht (sic) is het de
muziek (sic) van reizende muzikanten die
een stenen cherubijntje tot leven wekt. Dat
levend geworden stenen beeld doet (vergeefs)
een beroep op de dichter zijn ‘moeder’
te worden. Nijhoff voelt zich machteloos
naast de leven wekkende machten van
de muziek. Hij beklaagt zijn onvruchtbaarheid:
(...)
Er trilde langs mijn wang een rein
Koud kindermondje, en in mijn haren
Woelde zijn handje – O moeder mijn,
Smeekte ‘t, en bleef mistroostig staren –
O zoontje in me, o woord ongeschreven,
O vleeschlooze, o kon ik u baren –
Den nood van ongeboren leven
Wreekt gij met dit verwijtend staren.
En als ik me in die poëticale richting beweeg
zie ik dat de verhouding tussen dichter
en muze in ‘specialist op het gebied van
kozijnen’ diametraal staat tegenover die
verhouding in ‘appels kopen’. Daar was het
de muze die op autonome kracht de passieve
dichter een gedicht afdwong – de
slaap van de muze baarde het gedicht. Hier
is de geliefde, de muze zo goed als passief.
Dit kind komt ongeslachtelijk tot stand
– niet voor niets zal er ‘het kind’ staan en
niet ‘ons kind’. Daar komt geen vrouw,
alleen een dichter aan te pas.
Bruinja is, zou je kunnen zeggen, zeer
optimistisch gestemd over wat de wending
in zijn poëtische aanpak hem aan gedichten
brengen zal. Wie, die de geslaagde gedichten
in Bang voor de bal leest, zal hem
dat optimisme kwalijk nemen?
De wending naar een bewust construerend
dichterschap heeft verschillende effecten.
De belangrijkste is dat de verhouding tussen
dichter en gedicht verandert. Wat anekdotische
poëzie, poëtische portretten en
readymades gemeen hebben is een dichter
die meer vanuit een concept of idee
werkt, dan dat hij beelden, ritmes en woorden
exploreert. Hij heeft er wel oog voor. Hij
maakt er wel gebruik van, maar hij wil ze
beheersen om het concept te realiseren of
de boodschap zo effectief mogelijk over te
brengen. Het is ook niet toevallig dat met
de verschuiving van zijn poëzie in deze richting
Bruinja meer politieke gedichten is
gaan schrijven. Ik bedoel gedichten met
een expliciete, mij overigens sympathieke
politieke of ethische boodschap.
Evenmin is het toevallig dat binnen die
fundamentele verandering in poëticale strategie
een notie opkomt van ‘betekenissen
die dit gedicht kunnen bederven’. Dat kan
niets anders betekenen dan dat betekenissen
die buiten de dichterlijke controle vallen
het gedicht bederven. Hun oncontroleerbaarheid
is gegeven met het incriminerende
‘op de loer liggen’. ’Bederven’ is een
krasse uitdrukking.
De gedachte dat een oncontroleerbare
veelheid van betekenissen een gedicht bederft,
is evengoed een ethische uitspraak.
Hij is dat omdat hij de kern raakt van de
verhouding tussen lezer en gedicht en daarmee
van lezer en dichter. Bij sommige van
de gedichten in Bang voor de bal voel ik mij
in een ongemakkelijke, of op zijn minst
onaantrekkelijke positie gemanoeuvreerd.
Ter verheldering schets ik de extremen.
De poëzie van Bruinja waarin de autonome
bewegingen domineren verschaft mij
een enorme vrijheid. Elk gedicht is onuitputtelijk
betekenisvol, zonder dat die betekenis
willekeurig is. Die is immers aan de
gegeven bewegingen en transformaties van
de taal gebonden. Poëzie is zo met al haar
vezels met de sociale en persoonlijke werkelijkheid
van ons talige wezens verbonden.
Autonomie is alles anders dan apolitiek.
De door haar gecreëerde schitterende vrijheid
is verplicht aan het ware en het goede.
De autonome ruimte van het gedicht met
zijn eigen wetmatigheden staat ook toe dat
dichter en lezer elkaar daar als gelijken in
vrijheid ontmoeten, beiden evenzeer onderworpen
aan de wetmatigheden van het gedicht.
Ze zijn daarmee gedwongen op een
atypische manier de werkelijkheid te reflecteren.
In Bang voor de bal is dat bij een deel
van de gedichten anders. Aan zo’n gedicht
gaat een concept vooraf, een gedachte of
een politiek standpunt. De dichter heeft het
naar beste kunnen verwoord en vormgegeven.
Het gedicht is niet langer een ruimte,
maar een voertuig dat mij naar concept,
overtuiging of ethisch oordeel van de dichter
voert. Te veel betekenis werkt volgens
hem als suiker in de benzine. Het gedicht
brengt de lezer niet waar de dichter hem
hebben wil. Ik moet een opvatting reconstrueren
waar ik het al dan niet mee eens
ben. Het gedicht is niet langer een plek om
een proef op mijn som te nemen. Het is
een alibi voor de kennisname van de overtuigingen
van de dichter. Het gedicht is retorische
strategie van de dichter om mij over
te halen naar zijn kamp. Maar die meningen
waren er al en het gedicht doet daar
niet aan toe of af.
Ik schets de extremen. Ben ik een conservatieve
lezer, die zijn vrijheid niet wil verliezen?
Misschien matig ik mij bij de lezing
van een gedicht als ‘appels kopen’ wel veel
te veel vrijheid aan en werd het tijd dat ik
door de dichter tot de orde werd geroepen.
Daarbij, intuïtie is geen onaantastbaar
orgaan dat buiten alle oefening, ervaring en
zelfkritiek staat. Het is een orgaan dat zich
alleen ontwikkelen kan als het met vreemde
elementen geconfronteerd wordt. Dat
maakt Bang voor de bal tot een intrigerende
bundel. Bruinja waagt zich in een gebied
dat hij niet beheerste, dat van het calculerende,
construerende conceptuele schrijven.
Ik ben benieuwd hoe de appel van zijn
muze, haar bal gaat rollen, of die opnieuw
over mijn te lange lezerstenen rolt.
(c) Hans Groenewegen, in yang, jg. 43 nr. 1, 2007.
* Andere essays van Hans Groenewegen zijn te vinden in zijn bundels Schuimen langs de vloedlijn (Vantilt, Nijmegen, 2002) en Overvloed (Vantilt, Nijmegen, 2005).
| |