|
Christophe Van der Vorst
This is Major Tom to Ground Control
Peter Sloterdijk ontdekt de wereld
Over Peter Sloterdijk, Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering, vert. Hans Driessen, SUN, 2006
‘Op het eiland dat we Hispana genoemd
hebben, lopen beide seksen naakt rond,
zoals ze geboren zijn, behalve sommige
vrouwen, die zichzelf met een blad, loof of
een katoenen stof bedekken. [...] Ze weigeren
niemand iets dat ze zelf bezitten en
nodigen ons uit om zelf dingen te vragen.
Ze tonen meer liefde voor anderen dan voor
zichzelf.’ Het zijn enkele zinnen uit
Christoffel Columbus’ eerste brief uit de
Nieuwe Wereld gericht aan Ferdinand en
Isabella van Aragón. Een gedrukt exemplaar
van deze brief wordt deze maand (juni
2006) in Londen te koop aangeboden en
draagt een prijskaartje van 730.000 euro.
Een van de vragen waar Peter Sloterdijk
zich in zijn laatste boek, Het kristalpaleis,
over buigt, is waarom bijna vijftienhonderd
jaar na het begin van onze jaartelling ontdekkingsreizigers
plots besloten om een
westelijke koers te varen, en vooral hoe ze
erin geslaagd zijn koningshuizen en rijke
particulieren te overtuigen om in hun projecten
te investeren. Bij aanvang van het
essay met de catchy ondertitel Een filosofie
van de globalisering, maakt Sloterdijk zich
vrolijk over het actuele globaliseringsdebat,
dat volgens hem slechts een journalistiek
niveau weet te halen. Bij elke opvoering van
het globaliseringsdrama verlaten vakfilosofen
het toneel waardoor het gevolg zich laat
raden: een slecht geënsceneerde tragedie
die door souffleurs – veelal liberaal geïnspireerde
politicologen met een allergie voor
filosofisch grote verhalen – wordt aangedikt
tot politiek virulente scenario’s. De Duitse cultuurfilosoof ergert zich aan twee aspecten
van het globaliseringsdiscours. Er wordt
gejongleerd met filosofische termen waarvan
de betekenis niet nader wordt bepaald
en de theses die worden geponeerd, moeten
het stellen zonder verificatie. Het is dus
hoog tijd voor een filosofie van de globalisering,
aldus Sloterdijk. Of zijn bijdrage aan
het debat zelf de test doorstaat, is nog
maar de vraag. De pittige stijl en de vele
historische excursies maken Het kristalpaleis
plezierig om lezen, maar Sloterdijks bij
wijlen bombastisch taalgeweld gaat ten
koste van een helder betoog. Bovendien is
zijn acte de présence te veel een (vrijblijvende)
reterritorialisering van het filosofisch
gedachtegoed van denkers als Schopenhauer,
Nietzsche, Heidegger en
Deleuze.
DE REMIGRANT EN ZIJN GROTE VERHALEN
De Duitse filosoof Peter Sloterdijk mag
sinds de publicatie van zijn volumineuze
Kritiek van de cynische rede (1984) rekenen
op een gemengde ontvangst van zijn
werk. Sommige critici juichen hem toe vanwege
zijn evocatieve en metaforische
schrijfstijl. In academische kringen echter
is hij op een enorme weerstand gestoten
nadat hij in de zomer van 1999 op een congres
over de filosofie van Martin Heidegger
het onderwerp van de antropotechniek
heeft aangesneden. In een antwoord op
Heideggers Brief over het humanisme
(1975) stelde Sloterdijk luidop de vraag:
‘Wat is nog in staat de mens te temmen,
als het humanisme als school van het temmen
van mensen faalt?’ 1 Met Heidegger
deelde hij de analyse dat het humanisme,
in de klassieke betekenis van paideia of
opvoeding, niet heeft kunnen voorkomen
dat de twintigste eeuw nefaste totalitaire
ideologieën heeft voortgebracht. De complete
links-liberale pers meende een
Ungeist te hebben ontmaskerd en Sloterdijk
werd in een mum van tijd als nietkoosjer
bestempeld. In de boekpublicatie
van zijn lezing Regels voor het mensenpark
(1999) werd de ganse affaire gereconstrueerd
en besloot Sloterdijk dat de lastercampagne
onder meer een gevolg was van
de dood van de kritiek en de proliferatie
van een hardhorige boulevardpers. Maar de
werkelijke bron van agitatie lag volgens
hem elders. In een open brief wees hij een
beschuldigende vinger naar Jürgen Habermas.
Habermas, een telg uit de Frankfurter
Schule, zou de hetze hebben ontketend.
Sloterdijk, die eertijds tot dezelfde filosofische
school behoorde, verweet Habermas
het vraagstuk van het gefaalde humanisme
en de vooruitgang van de biotechniek niet
te kunnen oplossen. Daarom zou hij voor
de giftige strategie hebben geopteerd Sloterdijk
tijdens een laatste fascistenjacht te
belasteren. Terugblikkend concludeerde
Sloterdijk dat het met de Frankfurter Schule
was afgelopen, aangezien er ad personam
werd gedisputeerd. Hij eindigde zijn open
brief met de triomfantelijke grafrede: ‘De
Kritische Theorie was al geruime tijd bedlegerig,
de kribbige oude dame, nu is ze van
ons heengegaan. We zullen samenkomen aan het graf van een tijdperk om de balans
op te maken, maar ook om het einde van
een hypocrisie te gedenken.’ 2
Wie van Sloterdijks genadeloze aanslag
op de Frankfurter Schule weet heeft, kan de
betekenis van Het kristalpaleis binnen zijn
oeuvre beter situeren. In het titelhoofdstuk
vangt de goede verstaander een luide echo
op van de aanvaring met Habermas. Sloterdijk
gaat een nieuwe krachtmeting aan
met de neomarxistische theorie door te
argumenteren dat het kristalpaleis als
metafoor voor de kapitalistische wereldtoestand
accurater is dan Walter Benjamins
embleem voor de kapitalistische modus
vivendi, de Parijse passagearchitectuur.
Sloterdijk laat deze passagemetafoor wedijveren
met het beeld van het kristalpaleis
dat hij aan het reisfeuilleton Winterse
opmerkingen over zomerse indrukken
(1878) van Dostojevski ontleent. In dit
feuilleton brengt de Russische schrijver
verslag uit van zijn bezoek aan het wereldtentoonstellingspaleis
in South-Kensington.
Sloterdijk permitteert zich een antedatering
door in Dostojevski’s tekst een kritiek avant
la lettre op de globalisering te lezen. Uit
Dostojevski’s beschrijving van het Crystal
Palace spreekt de overschrijding van een
kritische grens: het onderbrengen van de
ganse samenleving in een gesloten paviljoen.
Het hoeft ons niet te verwonderen dat
dit staaltje van architectonische ontwikkeling
zich als een ware verschrikking openbaarde
aan Dostojevski, die immers als
gedeporteerde het leven in een Siberisch
dodenhuis aan den lijve had ondervonden.
Volgens de Russische schrijver kon het
leven in het kristalpaleis er enkel één zijn
van claustrofobie en sociale apathie.
Sloterdijk kent het kristalpaleis andere
eigenschappen toe. In zijn ogen geldt het
als een veilige verblijfplaats voor de kapitalistische
westerling, gericht op activistische
bestaanszorg en inclusiviteit. Hij beschouwt
het kristalpaleis dus als een groot complex
dat het permanent verblijf van de ganse
westerse maatschappij in één afgesloten
beschermende ruimte oproept. Dit staat
tegenover de passages van Walter Benjamin,
die slechts middelgrote constructies
zijn waarin enkel de elite zo nu en dan in
kan flaneren. Sloterdijk verwijt Benjamin
een fout tegen de grootte want ‘[h]ij veronachtzaamde
de fundamentele regel van de
media-analyse, volgens welke het formaat
de boodschap is’. Jammer genoeg scoort
Sloterdijk met deze argumentering nog
geen kwart punt, want stellen dat het kapitalisme
zuiver op inclusiviteit is gericht,
meer bepaald in de vorm van een allesoverkoepelende
zorgmaatschappij, is even overtrokken
als de stelling van Benjamin dat
het kapitalisme zich tot de rang van een
religie heeft verheven.
Benjamins beschrijving van de Parijse
passages brengt volgens Sloterdijk nog
een andere tekortkoming aan het licht, met
name een foute methodiek. De auteur
schrikt er niet voor terug Benjamin te portretteren
als een wraakzuchtige kamergeleerde
die steevast werkte aan de bewijslast
tegen de kapitalistische wereldsamenhang
en die vergat de cruciale vraag te
stellen of een vlucht van de massa uit de
kapitalistische passage mogelijk dan wel wenselijk was. Het is niet de eerste keer
dat Sloterdijk deze kritiek op het marxisme
formuleert. In het bovenvermelde Kritiek
van de cynische rede meende hij al een
dubbele structuur van Marx’ theorie te hebben
blootgelegd: enerzijds emancipatorisch,
anderzijds objectiverend, dat wil zeggen,
gekant tegen elk praktisch alternatief.
‘Altijd al heeft het [marxisme] tegen het
bewustzijn van de massa gezegd: Ik ben uw
heer en bevrijder, gij zult geen andere bevrijders
voor mijn aanzicht hebben! Elke vrijheid
die ge van elders neemt, is kleinburgerlijke
dwaling.’ Mocht Sloterdijk het bij
deze tegenbedenking laten, dan zouHet
kristalpaleis op dit vlak weinig nieuws te
bieden hebben. Maar door op een methodologische
tekortkoming te wijzen, weet hij
nog net te voorkomen dat zijn kritiek op het
marxisme, met name intellectuele verstarring,
zich tegen hem keert. 3 Benjamin heeft
zich volgens Sloterdijk verloren in een zogenaamde
‘ideologie van het detail’ of ‘bijgeloof
in het detail’. Voor zijn Passagenwerk
zou Benjamin zich in bibliotheken hebben
ingegraven, en in elk klein historisch feit
dat in zijn omvangrijke manuscript terechtkwam,
meende hij een teken te moeten
zien van het verderfelijke kapitalisme. In
het inleidende, theoretische en polemische
hoofdstuk van Het kristalpaleis houdt
Sloterdijk echter een pleidooi voor grote
verhalen. Wie wil, kan het als een apologie
lezen, gericht aan de critici die zich in het
verleden negatief hebben uitgesproken
over Sloterdijks overmatige gedachtesprongen.
Dat Sloterdijk Benjamins Passagenwerk
reduceert tot een slaafse onderwerping
aan Marx’ ideologie, maakt echter duidelijk
dat kritiek op Sloterdijks ‘grote’ denken
vaak heel terecht is. Benjamin ging net
eigenzinnig om met het marxisme en zijn
Passagenwerk geldt algemeen als een originele
bijdrage tot de filosofie en de literaire
theorie. Het valt ook niet te ontkennen dat
Benjamin sterk beïnvloed was door de
Joodse Messianistische mystiek, waardoor
het grote verhaal bij hem zeker niet ontbrak.
In zijn kritiek op Benjamin is het
Sloterdijk jammer genoeg meer te doen om
snelle conclusies dan om een gefundeerde
argumentatie. Dat de metafoor waarrond
het boek pivoteert, is ingegeven door rancune
jegens de Kritische Theorie, is dan
ook een zwaktebod.
In het eerste hoofdstuk met de weinig
sprekende titel ‘Grote verhalen’ laat Sloterdijk
aan zijn publiek weten dat hij in Het
kristalpaleis zijn hang naar het controversiele
en het grote zal laten samenvallen. Het
provocerend karakter van zijn boek ligt volgens
hem niet zozeer in het object van studie,
de zogenaamde globalisering, dan wel
in de opzet en de methodiek. Wat het eerste
betreft is hij bijzonder kort. Hij probeert
onverschrokken ‘aanzetten te geven tot
een theorie van het heden’. Hij fulmineert
tegen het hedendaags filosofiebedrijf als
een objectloze, op praxis gerichte levenswijze
en wil de wijsbegeerte herdefiniëren
als een ‘quasi-wetenschap’ – mijns inziens
een zeer onduidelijke term – met aandacht
voor zowel het algemene als het bijzondere.
Van de lezer wordt verwacht dat hij tussen
de regels kan lezen. Een omstandiger definitie
van het begrip filosofie wordt hem of
haar niet gegund, laat staan een affirmatieve
of functionele. Fulmineren is makkelijker. En dat doet Sloterdijk door zich af te
zetten tegen het ‘wild filosoferen’ van het
huidige globaliseringsdebat en tegen de
filosofie van het ‘niets-bijzonders-willenzijn’.
Sloterdijk herkent in de geschiedfilosofische
traditie van de micro-storia met
zijn soms buitensporige detailstudie een
symptoom van onze tijd. Zonder enige ironie
duidt hij de traditie van la petite histoire
als het resultaat van een immuniseringsproces
dat tot de marginalisering van de
filosofie heeft geleid. Als we Sloterdijks
diagnose volgen, dan moeten we geloven
dat de filosofie zich in een vergeethoek
bevindt omdat ze ervoor gekozen heeft
niets ‘groots’, dat wil zeggen, ‘gevaarlijks’
meer te willen ondernemen. Ze volgt daarmee
blindelings de trend van de huidige
‘therapie- en verzekeringsmaatschappij’
die er alleen op gericht is risico’s te isoleren
en neutraliseren. En alsof deze vaststelling
nog niet bitter genoeg is, constateert
Sloterdijk ook nog dat amateurs
ondertussen deze lacune handig proberen
op te vullen. Politicologen en journalisten
met weinig verstand van zaken, zo zegt hij,
hebben het gehele discours over de globalisering
overgenomen. Wil de filosofie dus
haar plaats heroveren, dan moet ze opnieuw
kiezen voor de grote verhalen, en dus ook
voor het grote, gevaarlijke denken. Hiermee
is in feite het belangrijkste over het boek
gezegd. Het kristalpaleis blijft steken in een
onduidelijke intentieverklaring, wat daarop
volgt kan op zijn best worden omschreven
als een halfslachtige poging om tot een
tijdsdiagnose te komen. Ik zal aantonen
dat Sloterdijks diachrone perspectief de
lezer een veertigtal korte schetsen presenteert
van historische, antropologische en
literaire inslag, maar dat er van ‘een theorie
van het heden’ nog geen sprake is:
daarvoor mist het betoog coherentie en
eenduidigheid.
HET VERHAAL VAN DE ONTDEKKINGSREIZIGER EN DE MARITIEME DENKER
Het eerste deel van het boek laat zich
inderdaad lezen als een groot verhaal over
de ontdekking van de wereld als globe, dat
wil zeggen als bolvorm. Het ganse boek
haakt overigens als een zijpaneel in Sloterdijks
groots opgezette Sphären (2003).
In zevenmijlslaarzen stapt hij door een filosofisch
doordacht geschiedverhaal dat zich
als een drie-fase proces zou hebben voltrokken:
de kosmisch-uranische globalisering
ten tijde van de Griekse metafysische
kosmologie, die trachtte aan te tonen dat
de aarde en het heelal een perfect meetkundige
bolvorm is, de Europees nautische
expansie tijdens de Nieuwe Tijd waarin voor
het eerst in technisch en symbolisch
opzicht werd bewezen dat de aarde rond is,
zij het niet symmetrisch, en ten slotte de
elektronische globalisering van het huidig
wereldgebeuren. Met dit historische perspectief
wil Sloterdijk een belangrijke aanvulling
bieden én kritiek leveren op het
actuele discours, waarin de aandacht volgens
hem bijna uitsluitend gaat naar het
vervagen van de traditionele opvattingen
over politieke subjecten en sociale eenheden
– de geleidelijke ontbinding van de
natiestaten na 1945. Maar de traditionele academische driedeling in een Oude,
Nieuwe en Nieuwste Tijd voorspelt weinig
nieuws. Dat de globalisering in praktische
zin begon met de ontdekkingsreizen vanaf
omstreeks 1492 en werd voltooid met de
invoering van het op goudstandaard gebaseerde
wereldwijde monetaire stelsel in
1944, kan niet echt overtuigen. Volgens de
auteur was de basisvoorwaarde tot globalisering
van de aarde het principe van de
wederkerigheid. Aanvankelijk betekende
wederkerigheid de terugkeer van de zestiende-
eeuwse vloten naar de Europese
thuishavens, veilig verkeer dus. Later kreeg
wederkerigheid een andere invulling: return
of investment. Opdat er verder in de risicovolle
projecten zou worden geïnvesteerd,
moest er een aanzienlijke kans bestaan
dat het kapitaal in de vorm van geld en
waar zou terugkeren naar de opdrachtgevers.
Sloterdijk heeft er zichtbaar plezier in
wanneer hij de publicisten kan beschimpen
die in de bewegingen van het speculatief
kapitaal op de moderne beurzen een bewijs
zien dat globalisering een recent fenomeen
is. Was de territoriale politiek van de
koningshuizen en van de kapitaalkrachtige
burgers dan ook niet gericht op revenuen,
vraagt hij retorisch. ‘Het belangrijkste gegeven
van de Nieuwe Tijd is niet dat de aarde
om de zon draait, maar het geld om de
aarde’. Het is een voorbeeldje van hoe
graag Sloterdijk zijn tekst met oneliners
doorspekt. Dat hij zelf net die eigenschap
bij andere polemisten aan de kaak stelt,
moeten we maar door de vingers zien.
In de zestiende eeuw was wederkerigheid
pas mogelijk dankzij een goede beeldvorming
van de globe. De kans op terugkeer
van de schepen die een westelijke
koers volgden, werd aanzienlijk verhoogd
op het moment dat er betrouwbare kaarten
voorhanden waren. Daarom werden de klassieke
bolspeculaties van de Grieken op
non-actief gezet en groeide in ijltempo het
bewustzijn dat er nood was aan betrouwbare
routebeschrijvingen en globes. Hier lag
een taak voor de ontdekkingsreizigers en
cartografen. Voor Sloterdijk hangt een filosofie
van de globalisering dus onvermijdelijk
samen met een geschiedenis van de
ontdekkingsreizen. Hij ziet hier een opportuniteit,
maar wil zich niet beperken tot
deze opdracht. In zijn uitvoerig resumé verweeft
hij een nogal pedante kritiek op de
continentale filosofie. Sloterdijk merkt
schamper op dat de filosofische vakwoordenschat
tot nog toe te beperkt was om
een academische studie over dit onderwerp
te maken. Zelfs het begrip ‘ontdekking’
ontbreekt in het hoogaangeschreven Historisches
Wörterbuch der Philosophie. Dat in
de ganse geschiedfilosofie nog niemand
een oprechte poging heeft ondernomen om
ontdekkingsreizen te onderzoeken, vindt hij
nog een bedroevender vaststelling. ‘Als
onderzoek het georganiseerde wegwerken
van verborgenheid is, dan vervult geen
gebeurtenis in de geschiedenis van menselijke
kennisexpansies deze taak dramatischer
en vollediger dan de verkennende
globalisering van de aarde tussen de zestiende
en de negentiende eeuw’. Als proef
op de som laat hij enkele Duitse denkers
de revue passeren en hij maakt daarbij een
onderscheid tussen de avontuurlijke (lees:
gevaarlijke) maritieme denkers en de honkvaste
(lees: geïmmuniseerde) vastelandsdenkers. Voor hem waren enkel Schopenhauer
en Nietzsche bereid om met hun
denken risico’s op te zoeken. Hegel, Kant,
Husserl en Heidegger daarentegen klampten
zich onterecht vast aan de veilige
bodem van de provincie. Deze onderverdeling
moet aantonen dat Sloterdijk een aversie
heeft van het regionale, haardachtige,
huiselijke denken. We kunnen alleen maar
vaststellen dat hij bij de motivering van zijn
voorkeuren bijzonder cryptisch te werk
gaat. Wat dit ons werkelijk leert, is niet
méér dan de richting waarin hij de filosofie
weer wil zien evolueren, en dat is, zoals
eerder gezegd, in de richting van het zogenaamde
grote gevaarlijke denken. Maar wat
Sloterdijk daaronder verstaat, verheldert hij
nergens. Dit toont opnieuw aan dat Sloterdijks
stijl vaak een sluier werpt over zijn
denken, wat de lectuur van Het kristalpaleis
bijzonder vermoeiend en frustrerend maakt.
Als lezer kan je enkel besluiten dat er blijkbaar
alleen vage suggesties aan de basis
liggen van het gevaarlijke denken. Dit valt
hoegenaamd niet te rijmen met Sloterdijks
kritische pose ten opzichte van het huidige
globaliseringsdebat.
Het is niet onvoorstelbaar dat op grond
van analogie een lijn moet worden getrokken
tussen Sloterdijks verhoopte filosoof
van het gevaarlijke denken en de ontdekkingsreiziger.
In het eerste deel van het
boek maakt hij een bijzonder uitgebreide
psychodiagnostiek van de kapitein-zeevaarder,
wat het vermoeden doet rijzen dat hij in
de subjectiviteit van de avonturier een voorbeeld
ziet van de offensieve avant-gardefilosoof.
Sloterdijk begrijpt het subject-worden
als een proces van zelfontremming. ‘De
werkelijke betekenis van het subject-worden
kan alleen begrepen worden vanuit de
gedachte van de bewapening en de zelfontremming
van de handelende persoon.’
In Sloterdijks ogen is het subject een persoon
die zich ‘wapent’, iets ‘in het schild
voert’, ‘onberekenbaar’ en dus ‘verdacht’
is, een ‘machtspunt’ dat zich plots kan
‘ontketenen’. Het is een omschrijving die
aggressief en militaristisch aandoet
(‘wapen’, ‘oorlog’, ‘opperbevel’) en waarvoor
de zeerover en imperialistische ontdekkingsreiziger
natuurlijk perfect model
staan. Sloterdijk realiseert zich echter dat
een extrapolatie van dit profiel naar de
moderne pragmatisch handelende persoon
wel erg geforceerd aandoet. Hij introduceert
daarom een lightversie door de vergelijking
te maken van het subject met de
ondernemer. Het motief voor de ontremming
van de ondernemer moet niet in de
dwang worden gezocht, zoals de psychoanalytici
hebben beweerd, maar in de overtuiging.
Een subject-ondernemer komt tot
handelen op basis van zijn belangen. Voor
Sloterdijk maakt het allemaal niet veel uit
waar die belangen worden gesitueerd,
intern of extern; de aard van die belangen
spelen evenmin een rol, emotioneel of rationeel.
Hij neemt aan dat de moderne mens
een autopersuasief individu is dat zichzelf,
eventueel met de hulp van consultants,
ervan overtuigt een daad te stellen.
Misschien gaat deze expeditiepsychologie
op voor de mens-avonturier, of ze ook de
gepaste mal is voor een hedendaags filosoof,
kan men zich afvragen. Als de taak
van het gevaarlijke denken ‘de gewenste
ontremming voor te bereiden’ is, begeeft ze zich opnieuw op het gladde ijs van de politieke
ideologie. In het geval van Sloterdijk
roept dit dubieuze standpunt zeer veel vragen
op, omdat hij in het ganse boek bijna
uitsluitend observaties neerschrijft en weigert
een ethisch standpunt in te nemen. En
aangezien hij zijn filosofische intentieverklaring
alleen maar op negatieve grond
motiveert, neemt het bereik ervan na het
sluiten van het boek tot niets af. Het is dan
ook tragisch dat Sloterdijk met Het kristalpaleis
zelf aantoont dat de tijd van het
gevaarlijke filosoferen voorbij is. In feite
vertelt hij niet meer dan een ongevaarlijk
verhaal, een aangename vertelling, in postmoderne
stijl, dat wil zeggen als een aaneenschakeling
van interessante historische
feitjes waarmee hij zijn lezers probeert te
behagen en te overbluffen.
Het tijdperk van de ontdekkingen dient
niet alleen als metafoor voor Sloterdijks
subjectsvisie, maar ook ter illustratie van
een epistemologisch proces. In de overgang
van het vasteland-denken naar het
oceaan-denken vloeien niet alleen de fenomenen
investering, ontremming en risicovol
handelen samen, maar komt tevens een
waarheidtechnisch proces aan de oppervlakte.
Met het principe van de wederkerigheid
heeft Sloterdijk al aangetoond dat de
globalisering pas een feit werd op het
moment dat pioniers voldoende gegevens
hadden verzameld om de wereldreis tot in
het oneindige te laten herhalen. Het titanenwerk
dat aan deze totaaloverzichten
van het aardoppervlak voorafging en dat
alles samen vijfhonderd jaar in beslag heeft
genomen, krijgt het etiket ‘aardse globalisering’.
Het adjectief aards moet duidelijk
maken dat het om een intellectueel opwindend
proces gaat, waar de deelnemers van
het actuele debat zich gewoonlijk geen adequate
voorstelling van maken. Vanuit Sloterdijks
optiek komt de tijd van de globalisering
overeen met de tijd van het wereldbeeld.
Om deze pointe te onderstrepen,
doet hij voortdurend een beroep op de
ideeën van Schopenhauer, Nietzsche en
Heidegger (nu weer voluit een gevaarlijk
denker). Zo citeert Sloterdijk uit Heideggers
opstel Die Zeit des Weltbildes (1980) de
toepasselijke frase: ‘Het wezen van de
Moderne Tijd is de verovering van de wereld
als beeld’. Maar ook de vaak bekritiseerde
Heideggeriaanse modus operandi om vanuit
de etymologie, of beter zíjn etymologie,
de waarheid te laten spreken, past
Sloterdijk nu en dan toe. Aan Heideggers
uitspraak ‘Techniek is een manier van ontbergen’,
voegt Sloterdijk toe dat het woord
ont-dekking aantoont waar het de zestiende-
en zeventiende eeuwse cartografen om
te doen was: het dekkleed over het tot dan
toe verborgene eens en voor altijd wegtrekken.
Deze recyclage van de gevaarlijke filosofen
toont nogmaals aan dat Sloterdijks
kracht als filosoof – dat is een verteller
van grote verhalen – voor een ruim deel te
danken is aan zijn goed ontwikkelde vermogen
tot synthese.
DE KAPITALISTISCHE BINNENRUIMTE: EEN MULTILOGUE INTERIEUR
‘De geschiedenis van de “wereld” heeft
haar einde bereikt als de geschiedenis van
de ontwikkeling van het beeld van de wereld als aarde min of meer afgesloten en
gemeengoed geworden is.’ Met deze vaststelling
geeft Sloterdijk de cesuur aan tussen
het tijdperk van de globalisering (1492-
1945) en het globale tijdperk (post-1945,
in navolging van Martin Albrows begrip
Global Age), en werkt hij zijn ‘aanzetten tot
een theorie van het heden’ uit zoals hij die
in het eerste deel van Het kristalpaleis aangekondigd
heeft. Om de tegenstelling tussen
de beide periodes sterk te laten uitkomen,
gaat hij nogal zwart-wit te werk. Na
een aanloopfase van vijf eeuwen werd het
kapitalistisch wereldstelsel steeds stabieler
en door de penetrante geldstromen is
elk punt op het aardoppervlak een vestigingplaats
geworden binnen een groot netwerk.
Het gevolg van dit netwerk, dat de
wereldmarkt, de wereldpolitiek en de mondiale
media omvat, is dat de bewoners van
de planeet aarde als het ware worden
samengeperst in een wereldbeurs waar het
licht nooit uitgaat. Elk debat over de globalisering
begint met de vernietiging van de
ruimte. Sloterdijk roept dit fenomeen van
compressie op met het kristalpaleis. De
wereldoverspannende broeikas heeft zich
in relatief korte tijd ontwikkeld tot een kapitalistische
binnenruimte, een wereldwijd
paleis van de consumptie, waarin de mens
gereduceerd is tot een jaarbeursganger
met een zekere koopkracht. Volgens hem
hoeft het ons niet te verwonderen dat door
de samenpersing van de westerse maatschappij
de misantropie in de toekomst zal
groeien. Daarom zal de nood aan een
tweede oecumene zich steeds meer opdringen.
Zij draagt de boodschap uit dat de
mens in de samengeperste commune van
het kristalpaleis de toenemende samenwerkingsdruk
zal moeten verdragen. Hier
begeeft Sloterdijk zich plots weer ver van
het zelfgepredikte gevaarlijke denken. Met
de boodschap dat hoop op herstel van een
huiselijke zorg onmogelijk is zolang er
wereldmarkten bestaan, klinkt hij plots halfzacht
en moraliserend. Het valt volgens mij
ook moeilijk te bewijzen dat, zoals Sloterdijk
beweert, het tijdperk van het unilaterale
handelen, dat wil zeggen het eenzijdige
ingrijpen in de realiteit, voorgoed tot het
verleden behoort als bijvoorbeeld de wapenproductie
sinds 1945 geenszins is afgenomen.
In tegenstelling tot het tijdperk van de
globalisering, wordt het in-de-wereld-zijn in
het globale tijdperk volgens Sloterdijk
gekenmerkt door extreme remming. Op
deze regel beschrijft hij twee uitzonderingen
die in de media bijzonder veel aandacht
krijgen en vaak met elkaar in verband worden
gebracht: de actuele Amerikaanse buitenlandse
politiek die gepaard gaat met
actief militair ingrijpen en het terrorisme
van de zuivere aanval. In het ene geval
wordt de ontremming veroorzaakt door een
wil om de energievoorziening in de toekomst
veilig te stellen. Voor het terrorisme
geldt dat de eenzijdige actie louter een
offensieve daad is die slechts bij gratie van
de media-aandacht kan blijven bestaan.
Terroristen zijn volgens Sloterdijk als de
pioniers uit de Nieuwe Tijd die er genoegen
in scheppen om als eerste hun standaard
te planten in een vooralsnog onveroverd
gebied. Van de twee uitzonderingen zijn zij
de minst gevaarlijke. Sloterdijk maakt zich
meer zorgen over de wil van Amerika om geschiedenis te blijven schrijven in een
tijdperk dat definitief heeft afgezien het
unilateralisme. Volgens Sloterdijk zijn de
schikgodinnen van vandaag immers: multilateraliteit,
verantwoordelijkheid en terugkoppeling.
Het is eigen aan het grote verhaal
van Het kristalpaleis dat de auteur
verzuimt bewijzen aan te leveren om deze
en andere stellingen grondig te onderbouwen.
Dat valt sterk te betreuren, te meer
omdat Sloterdijk in zijn kritiek op het globaliseringsdebat
zelf de vinger op precies die
wonde heeft gelegd. Wat overblijft is een
aanstekelijk groot verhaal, waarin een aantal
(nogal willekeurige) historische feiten op
een originele manier zijn samengebracht.
Planet Earth is blue and there’s nothing I
can do.
Noten
1 Peter Sloterdijk (e.a.), Regels voor het mensenpark. Kroniek van een debat, Boom, Amsterdam, 1999, p. 32.
2 Idem, p. 75.
3 Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1984, p. 165.
| |