|
Geert Buelens
Notes Towards a Realist Construct
Over poëzie en werkelijkheid
Hier sieht man, daß der Solipsismus, streng durchgeführt, mit dem reinen Realismus zusammenfällt
Ludwig Wittgenstein (1922)
Het realisme is de vlaamse erfzonde. Het heeft ons in de wereld gekompromitteerd
Paul van Ostaijen (1926)
When the term realism is applied to poetry, it is apt to upset our sense of reality
Lyn Hejinian (1989)
Semantische scherpslijperij volgt later misschien
nog. Nu alvast deze vraag: wat zou
het realiteitsgehalte van een gedicht kunnen
zijn? Het lijkt een absurde vraag. Poëzie is,
zo niet per definitie dan toch per plebisciet,
een kwestie van kunstigheid. In het gedicht
worden de dingen ‘mooier’ of in ieder geval
‘anders’ gezegd dan ze in werkelijkheid
zijn. Poëzie verfraait, verscherpt, vergroot
de realiteit. Poëzie is artificieel.
Maar zo eenvoudig is het natuurlijk nooit,
en dus ook nu niet. Als er íets is wat bijna alle
klassiek geworden, gecanoniseerde gedichten
gemeenschappelijk hebben, dan is het wel
dat ze erg nauw lijken aan te sluiten bij
de ‘gewone’ spreektaal. Beperken we ons
voorlopig tot het Nederlandse taalgebied.
Herman Gorter, Martinus Nijhoff, Willem
Elsschot, Hans Andreus, Herman de
Coninck, J.C. Bloem, Leonard Nolens …
het gros van de dichters op de longlist van
Gedichtendag schrijft poëzie in die dagelijkse
omgangstaal. Niet dat ze daar helemaal
mee samenvalt: ook bij deze dichters
is deze taal bewust bewerkt, maar in tegenstelling
tot – overigens ook gecanoniseerde
– dichters als Lucebert of Ter Balkt brengen
Andreus en co geen hoogwaardig kabbalistisch
gestamel voort, maar een vorm van
geïntensiveerd en geconcentreerd parlando.
Hoewel deze spreektaalpoëzie bij lezers en
bloemlezers erg populair is, wordt ze in dichterskringen
vaak minder hoog aangeslagen.
De voorkeur die zelfs een eminent vertegenwoordiger
van dat soort poëzie als Herman
de Coninck uitsprak voor de metafysische
hakkelgedichten van Hans Faverey of Jos de
Haes (‘Een kus in Ter Kameren’) suggereert
dat ook hij vond dat poëzie aan kracht en
belang wint wanneer ze de grenzen van de
‘natuurlijke’ spreektaal opzoekt of zelfs verlaat.
Het werk van dichters als Lucebert verhoudt
zich blijkbaar tot die spreektaal zoals
de ‘Openbaring volgens Johannes’ zich
verhoudt tot ‘Deuteronomium’. En net
zoals exegeten zich veel sneller zullen laten
uitdagen door Apocalyptische geschriften
dan door een praktisch wetboek, zo ook
verkiezen geroutineerde poëzielezers én
dichters vaak raadselachtige gedichten boven
literair angehaucht gebabbel. Mijn gebruik
van woorden als ‘raadsel’ en ‘kabbalistisch’
plaatst deze eerste categorie onwillekeurig
in de afdeling ‘metafysica’. Als we op zoek
willen gaan naar de realiteitswaarde van het
gedicht, komen we met dit soort gedichten
op het eerste gezicht dus geen stap verder.
Het realiteitsgehalte van een gedicht heeft
voor de lezer blijkbaar vooral te maken met
de gebruikte taal: in de genoemde spreektaalpoëzie
wordt verwezen naar de werkelijkheid
zoals we die (her)kennen (ze gaat op
een tamelijk directe manier over leven, liefde
en dood), met woorden die we – als we even
eloquent en verfijnd zouden zijn als de dichter
– ook op die manier zouden kunnen
gebruiken. Het betreft hier dus poëzie waarvan,
zoals T.S. Eliot schreef in zijn lezing
‘The Music of Poetry’, de lezer kan zeggen
“that is how I should talk if I could talk
poetry”. In een blad als yang lijkt deze
poëzie niet welkom: hier krijg je soms de
indruk dat dichters pas worden opgenomen,
wanneer ze zich expliciet afzetten tegen
en systematisch verwijderen van de gewone
spreektaal. Niemand (durf ik hopen) spreekt
zijn buurman aan zoals pakweg Bruce
Andrews (‘Ben je het beu’, yang 2000/3) of
Marc Kregting. Dit zijn teksten die de verwoording
en dus ook de beleving van de
realiteit willen doorbreken, verstoren, op
zijn kop zetten. Maar zijn ze daarom (per
definitie) minder realistisch?
_ Cowboy & Indiaan
Maar eerst nog even een andere vraag. Een
vraag zó onnozel dat we ze niet meer stellen
en al helemaal niet meer beantwoorden.
Waarom zou de mens in godsnaam kunstwerken
willen die de realiteit nabootsen? De
realiteit is ons allen toch bekend, die zien we
toch elke dag? Verlangt de mens niet naar
alles wat ànders is dan de dagelijkse realiteit?
Kijk naar het grote succes van een genre
als fantasy – dàt is wat de mensen willen:
teksten (films, strips …) waarin een totaal
nieuw universum wordt gecreëerd, waarin
de zwaartekracht en andere aardse wetten
niet van tel zijn. Ja, maar vooral toch
ook: neen. Niet alleen heeft ook dat genre
– en hetzelfde geldt voor, bijvoorbeeld,
romance novels – haar eigen wetten en schema’s
die veelal zijn overgenomen uit de wereldzoals-
we-die-denken-te-kennen (liefde-dood,
goed-kwaad, strijd-opgave …), over het algemeen
is de graad van realisme nog altijd een
belangrijke graadmeter wanneer door leken
over kunst wordt geoordeeld (“het was net
echt”, “die kleuren waren zo gelijkend”, “ja,
zo praat die man werkelijk” …). De kloof met
de burger tekent zich, wat de kunst betreft,
precies op dat punt af: kunstenaars en critici
hebben zich zowat de hele vorige eeuw uitgesloofd
om werken te maken en te analyseren
waarin de onmogelijkheid van een
realistische weergave werd gethematiseerd
(“je kàn in een kunstwerk de werkelijkheid
niet nabootsen of uitbeelden, en elk kunstwerk
dat iets anders pretendeert liegt”) en intussen
bleef het gros van het kunstminnend publiek
hardnekkig naar werken verlangen waarin
juist werd gedaan alsof dat wél kan … En in
dat alsof zit bijgevolg het hele spanningsveld
verborgen waarbinnen elke discussie over
deze kwestie zich afspeelt. Kinderen die
cowboy & indiaan spelen, weten uiteraard
ook wel dat ze geen cowboy of indiaan
zijn, maar ze doen wel dapper alsof, omdat
die alias hen mogelijkheden tijdens het spel
biedt die dat spelen er niet alleen spannender
op maakt, maar ook instructiever.
Als Kareltje en Mieke gewoon Kareltje en
Mieke spelen, wordt het al snel een saaie
boel; dat spelen ze immers niet, dat zijn ze.
Als cowboy of indiaan daarentegen komen
ze in situaties terecht die onbekend zijn, en
waarin ze kunnen improviseren, dingen uitproberen,
ervaring(en) opdoen … leren. Het
staat niet hip te beweren dat mensen graag
leren, maar het feit dat zo vele mensen van
kunstwerken verwachten dat ze een duidelijke
band vertonen met het (hun) leven,
wekt toch het sterke vermoeden dat ze ‘er
iets aan willen hebben’ en dat ‘iets’ overtreft
volgens mij het verlangen naar loutere ontspanning
of verstrooiing. Ze willen voelen
wat ‘echte liefde’ is, of wat het betekent
een naaste te verliezen. Het betreft hier natuurlijk
geen praktische kennis (hoe bak ik
een ei? wanneer dient de olie ververst?), maar
wel kennis van en voor het leven. Het is
het soort kennis dat Hollywood in tonnen
beweert te leveren en waarvan de ‘echte’
kunstenaars en critici al decennia beweren
dat ze niet bestaat en dus onmogelijk over
te brengen is. En dat laatste lijkt de belangrijkste
‘kennis’ te zijn die de moderne/
postmoderne kunst overbrengt: over het
leven kunnen we eigenlijk niets ‘echt’ zeggen
en dus zeggen we alles ‘tussen aanhalingstekens’.
(Een kwantitatief substantiële niche
in de kunstwereld heeft zich gespecialiseerd
in het overbrengen van alleen maar die aanhalingstekens.)
Op de wisselmarkten van
het dagelijkse leven heeft de kunst zich
zo gemarginaliseerd tot een Monopolybiljet
waarop in grote letters s p e c i m e n staat afgedrukt.
Het is een status waarop vele kunstenaars
zich laten voorstaan: met deze kunst
kan je niets aanvangen, ze is niet-instrumenteel
(maar als mijn galerist meewil word ik er
zelf wel schatrijk mee). Dit punt wordt echter
doorlopend zó ostentatief gemaakt, dat er
ook hier wellicht een instructieve ambitie
meespeelt. Het punt (dat ik niet kan maken)
is … En dat is dan uiteraard de al vaker gesignaleerde
contradictie waarin dit artistieke
(c.q. filosofische) discours gevangen zit:
hoewel het medium niet toestaat een echte
of ware mededeling te doen, wordt juist dit
feit (of moet ik zeggen: geloofspunt) keer op
keer herhaald, gethematiseerd en als kunstwerk
verkocht. En zo levert uiteindelijk ook
deze kunst ‘nuttige’ of ‘relevante’ kennis op
over ‘het leven’.
Op deze manier over kunst spreken wordt
echter vrij algemeen als een ketterij beschouwd.
Juist datgene wat van een kunstwerk
níet tot ‘inhoud’ en ‘kennis’ herleid
(‘gedegradeerd’) kan worden, heet het
artistieke gehalte uit te maken van het werk.
Dat is misschien wel het meest centrale geloofspunt
van de moderne kunst: vorm is
inhoud. En die vorm kan (los van uiteraard
triviale informatie als: bestaat uit drie strofen;
is met verf geschilderd) niet als kennis worden
beschouwd. Daarom ook wordt de moderne
kunst autonoom genoemd: ze heeft zich
niet alleen geëmancipeerd van de politiek
en de moraal, maar ook van het leven. Ze
verwijst enkel naar zichzelf. (Naar haar eigen
tekens, naar de vorm.) Zo wil het alvast de
theorie. In de praktijk is dit, althans wat de
literatuur betreft, absolute onzin. Zodra een
tekst woorden gebruikt, verwijst hij naar de
realiteit. Met andere woorden: met uitzondering
van letterklankbeeldgedichten als die
van Theo van Doesburg/IK Bonset en sjamanistische
klankgedichten (al dan niet van
dadaïstische origine), verwijst elke literaire
tekst woordelijk naar de realiteit. Maar maakt
dat die tekst ook realistisch?
_ Een opmerkelijke contradictie
Als op dat handvol uitzonderingen na, elke
tekst naar de werkelijkheid verwijst (‘referentieel
is’), dan lijkt het niet onwaarschijnlijk
dat poëtica-switches zich voordoen op
momenten dat de werkelijkheid op een ingrijpend-
andere manier wordt ervaren. Nieuwe
poëtica’s dienen zich immers aan uit onvrede
met de vorige. In ons taalgebied is dat onder
meer gebeurd in de jaren twintig en vijftig
(twee opstoten van modernisme) en in de
jaren tachtig (het postmodernisme); de toen
vigerende literatuuropvattingen werden als
verouderd, niet-langer-accuraat en te braaf
van de hand gewezen. Die kwalificaties suggereren
dat de afgewezen poëzie au fond te
weinig realistisch werd gevonden (te weinig
in overeenstemming met, bijvoorbeeld, het
levensgevoel na de respectieve wereldoorlogen
of het leven nà de vermeende dood van wat
ik gemakshalve maar weer eens de Grote Verhalen
noem). Als je de poëzie leest die toen
onder experimenteel vuur kwam te liggen,
dan is die reactie meer dan begrijpelijk.
Verzen als deze van Anton van Duinkerken
(“Mijn ziel zij gelijk aan de ziel van de vrouw / die mij toezond
uw godlijke groet / Want zij is de wuivende, die Gij mij gaaft / en
ik dank U, het leven is goed”) correspondeerden misschien
wel met de diepste zielendrang des
dichters, maar niet meer met het levensgevoel
van auteurs als Hugo Claus of Gust Gils
die, naar het vaak geciteerde woord van Jan
Walravens, waren opgevoed door de Tweede
Wereldoorlog. Opmerkelijk is echter dat de
poëzie van nogal wat Vijftigers (en dan vooral
die van de meest prominente dichter: Lucebert)
misschien wel beter aangepast was aan het
naoorlogse levensgevoel, maar daarom nog
niet realistischer overkwam. Zeker ook door
toedoen van contemporaine commentatoren
als Jan Walravens en Paul Rodenko is deze
poëzie al heel snel meta-fysisch geduid. Een
soortgelijk scenario speelde zich een kwarteeuw
later af. Dat de volgende strofe uit
‘Cognacglas’ van Eddy van Vliet (“De geur van
het haardvuur aait de neuzen / der porseleinen honden / Dit is het
ware leven / armoede is een rode leugen”) niet op instemmend
gejuich werd onthaald door een generatie
die was opgegroeid met Joy Division en
die dweepte met John Ashbery en Gertrude
Stein hoeft geen betoog. Hier werd een
wereld gepresenteerd die voor die generatie
door en door vals werd beschouwd. Dirk
van Bastelaeres geruchtmakende afrekening
met Herman Leenders (in Parmentier, jrg.
1996/1) werd niet alleen gemotiveerd door
Leenders’ choquerende gebrek aan aandacht
en respect jegens “de singulariteit en tegenover
het andere, in ons en buiten ons”, maar
ook door het volgens de criticus als leugenachtig
beschouwde wereldbeeld dat uit
Leenders’ werk spreekt. Van Bastelaere heeft
het in dit verband over de “Bokrijk-ervaring”:
“In dit soort gedichten, die onder
het mom van een ‘existentiële’ problematiek
(leven en dood) doelbewust de geschiedenis,
de negativiteit, de complexiteit van de wereld
uitsluiten, presenteert Leenders een voorbijgestreefde
ideologie als een realiteit” (cursivering
gb). In feite krijg je hier dus een afrekening
met het realisme op een dubbel niveau: teksten,
zoals die van Leenders, die pretenderen
iets over de realiteit te zeggen zijn oneerlijk
omdat de erin uitgesproken werkelijkheidsvisie
in feite totaal irreëel is (“In deze tijden van bioindustrie,
hormonenmaffia en overbemesting presenteren deze
gedichten ons doodleuk een boerenleven dat bestaat uit pap,
gemaaid gras, het kweken van groente en het pissen in de
lochting”) én omdat ze onvoldoende rekenschap
afleggen van hun tekstuele karakter
(“het functioneren van poëzie als een linguïstische constructie”).
Hieruit concluderen dat het Van Bastelaere
dan te doen zou zijn om een metafictionele
presentatie van een bijdetijdse ideologie is aanlokkelijk
(ik kom hier meteen op terug), maar misschien
toch ook misleidend. In dat opzicht
is een lemma uit zijn intussen ruim een
decennium oude poëtica ‘Rifbouw’ (yang,
nr. 144, 1989-1990) bijzonder instructief:
“Discontinuïteit: Voor Kristien Hemmerechts
was de [discontinuïteit] in een roman van
Louise Erdrich een kwestie van verhoogde
mimesis. ‘Het leven is ook behoorlijk discontinu’,
merkte ze mild, vergoelijkend op.
De beroemde schrijfster gaat daarin voorbij
aan wat de discontinuïteit in essentie is:
een betekenisvorm die alle idolen van de
positiviteit (klassieke schoonheid, systeemzin,
existentiële zekerheden) subverteert.” Hemmerechts
beschouwde de discontinuïteit in
de roman dus als een iconische (symbolische)
presentatie voor de (haar) beleving van de
realiteit en zag haar werkelijkheidsvisie (positief)
bevestigd door het boek in kwestie. Van
Bastelaere daarentegen is het niet om (positieve)
bevestigingen, maar om (negatieve)
ontkrachtingen te doen. Niet toevallig richt
hij zijn pijlen op wat hij “alle idolen van de
positiviteit” noemt. (Zie ook de termen waarmee
hij Hemmerechts’ interpretatie afwijst:
“vergoelijkend”, “mild”.) Het kritische potentieel
van de literatuur zit ’m voor hem heel
sterk in het aangeven van wat woorden níet
kunnen: ze staan níet in een direct, onlosmakelijk
verband met de dingen, ze zijn dus
níet in staat tot mimesis (of realisme, zo u
die term verkiest). Dat wil echter niet zeggen
dat ze helemààl los staan van die werkelijkheid:
“Het gedicht heeft niet een representatieve
functie, maar is presentatie. Poëzie is
geen afgeleide, maar een constituante van de
werkelijkheid. Geen platte mimesis, maar performantie”
(cursivering gb). Tot op zekere
hoogte is dit een herformulering van de
autonomie-status van het gedicht: poëzie is
niet alleen geen rekenschap verschuldigd aan
kerk, staat of moraal (de autonomieversie van
Tachtig) en evenmin aan de Vlaamse beweging,
de dagelijkse sentimenten en zelfs niet
aan de zichtbare realiteit (Van Ostaijen), het
gedicht staat uiteindelijk enkel voor zichzelf.
De wereld die door het gedicht wordt
opgeroepen bestaat enkel binnen de grenzen
van dat specifieke gedicht. Er is dus in geen
enkel geval een één-op-één-relatie tussen de
tekstuele ‘werkelijkheid’ en de buitentekstuele
‘werkelijkheid’. (Ik ga er hier dus vanuit
dat er zoiets bestaat als een buitentekstuele
werkelijkheid.) Nu, ik denk niet dat je vandaag
– aan het begin van de 21ste eeuw –
nog veel dichters vindt die geloven dat die
één-op-één-relatie er wél zou kunnen zijn.
Zo beschouwd is de kloof tussen de postmodernen
en de ‘anderen’ dus helemaal niet
zo groot. Een alternatieve manier om dat
verschil te duiden, is misschien Van Bastelaeres
gebruik van de woorden “geen platte
mimesis”. Zoals ik al eerder aangaf: de
realiteit ‘gewoon’ willen uitbeelden, nabootsen
of oproepen is in het huidige kunstbestel
zonder meer onbehoorlijk. Ook in
dat opzicht zijn dichters als Van Bastelaere,
Spinoy en Faverey duidelijk erfgenamen van
Van Ostaijen. Niet dat ze zijn filosofisch
idealisme delen, maar net als hem is het
er hen om te doen de grenzen van de
(re)presentatie aan te geven. Het is ook niet
toevallig dat Spinoy Van Ostaijen in verband
bracht met de esthetica van het sublieme.
Nog los van de filosofische aspecten van deze
kwestie (cf. Spinoys proefschrift over Van Ostaijen, Kant en
Lyotard en de passages hierover in hoofdstuk 7.1 van mijn Van
Ostaijen tot heden) valt het op dat in deze poëzie
ook voornamelijk verheven onderwerpen
óf banale onderwerpen in een verheven context
aan bod komen. Spinoy thematiseert
bijvoorbeeld wel pornografie, maar hij doet
dat in een ironische context en in een bijzonder
verzorgde stijl (“Van porno hangt een waas van
krullen / om de kom, de brooddeegbleke onderbuik. // Miljoenen
cellen bips” … ). En ook bij Van Bastelaere valt op
hoe dagdagelijkse onderwerpen en woorden
(“Eurostar”, “een kut zonder naam”, “KODAK”, “het gegiechel
van Myriam” … – de voorbeelden komen uit
de nieuwe bundel Hartswedervaren) worden
opgenomen in een uitgesproken ironisch,
historiserend, kunstkritisch of filosofisch discours.
Er zijn dus wel verwijzingen naar de
dagelijkse realiteit, maar alles wordt in het
werk gesteld om het banale en anekdotische
te overstijgen. Dat “gegiechel van Myriam”,
bijvoorbeeld, wordt meteen gevolgd door
“de bloemenjurken van [videaste] Pipilotti
Rist”. (Spinoys pornogedicht is evenzeer
ingebed in zo’n high art-context: het heet
‘Bettina Rheims’.) Het is, om dit alles heel
concreet te maken, vooralsnog moeilijk
denkbaar dat we bij deze dichters een gedicht
zullen lezen waarin een boterham met choco
figureert als louter en alleen maar een boterham
met choco. De platte mimesis moet te allen
prijze worden vermeden. Ook de voorliefde
van deze dichters voor de hedendaagse (epistemologische,
fenomenologische) continentale
filosofie geeft aan dat zij bepaald niet
in eerste instantie bezig zijn met empirie
en pragmatiek. (Al is deze manier van redeneren
hen uiteraard ook niet helemaal vreemd.
Op een lezing in Antwerpen in 1994 stelde
Van Bastelaere dat de anakoloet – dé retorische
figuur bij uitstek van het gedicht, aldus ‘Rifbouw’
– helemaal niet zo’n vergezochte retorische
figuur is; immers: in het dagelijkse leven
spreken wij allemaal in anakoloeten …). Als
ze met andere dichters afrekenen omdat die
een weinig plausibel wereldbeeld verspreiden
in hun werk, dan moet daaruit niet
worden besloten dat het hun zelf te doen
zou zijn om een realistische presentatie. Hen
gaat het veeleer om het afgrondelijke, en niet
om het gronden van de taal in de werkelijkheid.
_ Alles was im Buch ist, ist die Welt
In de Nederlandse poëzie is de afgelopen
tachtig jaar (grofweg: sinds Van Ostaijen in
conflict kwam met de dichters van ’t Fonteintje
én die van Ruimte) steeds opnieuw een onderscheid
gemaakt tussen de zogenaamde ‘taalgerichte’
(moderne, postmoderne) teksten
aan de ene kant, en de zogenaamd ‘realiteitsbetrokken’
(klassieke, neo-classicistische,
nieuw-realistische, neo-romantische, neo-biedermeier)
teksten aan de andere. Van Ostaijen
werd zo de aanvoerder van het kamp waarin
verder ook bijvoorbeeld Paul de Vree,
Gerrit Kouwenaar, Lucebert, Hans Faverey,
Wilfried Adams, Stefan Hertmans en Lucas
Hüsgen figureren. En aan de andere kant
treffen we dan bijvoorbeeld Raymond Herreman,
Willem Elsschot, Eddy du Perron,
Herman de Coninck, Luuk Gruwez, Benno
Barnard en Koen Stassijns. Het is een
onderverdeling waar iets voor te zeggen valt
(vgl. met mijn bijdrage in het poëzienummer
van Bzzlletin, nr. 274, oktober 2000), maar die mij
voor de voortgang van het genre op dit
moment buitengewoon nefast, want onproductief
lijkt. Niet alleen zijn de geponeerde
verschillen in de beide kampen lang niet zo
absoluut als wordt beweerd (ook de taligen
schrijven over de realiteit en ook de werkelijkheidsbetrokkenen
laten zich leiden door de
taal), volgens mij zitten juist in een eigenzinnige
synthese van aspecten van deze beide
‘soorten’ poëzie intrigerende ontwikkelingsmogelijkheden.
In plaats van op een ostentatieve manier
aan te geven dat taal een onpersoonlijke
constructie is waarmee een schijn van een
(de) wereld wordt opgewekt en waarmee
schijnbaar gecommuniceerd wordt, kan de
dichter er ook vanuit gaan dat een gedicht
geschreven wordt in de taal die gewoon elke
dag gebruikt wordt. Een gedicht hoeft dan
niet langer te benadrukken dat het een
onpersoonlijke constructie is waarin uiteindelijk
enkel de taal aan het woord is. Dat is
dan, theoretisch gezien, uiteraard wel zo, het
benadrukken van dat aspect lijkt me intussen
eigenlijk een beperking in te houden
van de dichterlijke praktijk. Je kan er ook
gewoon vanuit gaan dat dit zo is, zonder
het te thematiseren. Net zoals Kareltje en
Mieke wéten dat ze geen cowboy en ook
geen indiaan zijn, en intussen toch dapper
doen alsof. Juist dat genoemde alsof-karakter
zou het gedicht meer kunnen uitspelen.
Een gedicht moet zichzelf dan niet langer
retorisch-wellustig – en tegelijk didactischillustratief!
– in de wielen rijden (door het
opzetten van schijnredeneringen, het gebruik
van figuren als de anakoloet, het exploreren
van de onvermijdelijke aporie …), maar het
gebruikt juist zo ostentatief mogelijk de taal
van alledag en laat die zich dan tegen zichzelf
keren.
Mind. Het gaat er in dit alsof-spel dus níet
om opnieuw te doen alsof taal een transparant
medium is. Het oude dictum van
Sjklovsky dat de dichterlijke taal de perceptie
van de wereld door de lezer moet vertragen
door die wereld als vreemd voor te stellen
(“ostranenie”) blijft onverkort gelden. Alleen
gebeurt dat minder demonstratief. En dat is
het punt waarop de parlandopoëzie in het
spel kan komen. Nogmaals: niet om in naïefgebald
gebabbel te hervallen, maar om de
lezer letterlijk en figuurlijk aan te spreken,
hem in en door het gedicht te loodsen en
hem dan – haast ongemerkt, en juist daardoor
erg krachtig – van zijn welbehagen te
ontdoen. (of niet)
_ Educatief, ontwrichtend realisme
“Vergiß nicht, daß ein Gedicht, wenn auch in der Sprache der
Mitteilung abgefaßt, nicht im Sprachspiel der Mitteilung verwendet
wird," aldus Ludwig Wittgenstein in Zettel.
Met andere woorden: hoewel het gedicht
in dezelfde taal geschreven is als die waarin
mededelingen worden gedaan, is het het
gedicht toch niet om die mededeling te
doen. De taal heeft hier dus een andere
functie. Wittgenstein heeft au fond natuurlijk
gelijk, maar misschien is zijn uitspraak net
iets te absoluut gesteld. Want ook al is het
niet de bedoeling van het gedicht om iets
mee te delen, aangezien het de ‘gewone’ taal
gebruikt deelt het toch onwillekeurig iets
mee. Wat het in eerste instantie meedeelt
is natuurlijk die taal zélf. Of concreter: de
manier waarop de spreker in kwestie (het
lyrische ik) die taal gebruikt. En net daarin
schuilt dan juist – de late Wittgenstein
indachtig – de betekenis. Zoals Marjorie Perloff
uitvoerig heeft aangetoond in Wittgenstein’s
Ladder. Poetic Language and the Strangeness of the
Ordinary (1996) leent die ‘doctrine’ zich uitstekend
voor verdere poëtische exploratie.
Het lyrische ik dat aan het woord is, kan via
zijn – door de dichter zeer bewust geconstrueerde
– taal veel over zijn wereldbeeld en
intenties verraden. Zeker ook als we ervan
uitgaan dat de taal en de realiteit verschillende
grootheden zijn, is het interessant om
te onderzoeken hoe dat inzicht in het dagelijkse
taalgebruik helemaal níet speelt. Hoe,
anders gezegd, de taal – die in wezen enkel
naar zichzelf verwijst – gebruikt wordt om
naar alle mogelijke buitentalige ‘realiteiten’
te verwijzen, met het oog op het veranderen,
verkrijgen en beheersen van die realiteit.
Het mag dan een transcendentale illusie van
de eerste orde zijn, het is wél de orde waarin
we allemaal meedraaien. Het is de orde die
onze realiteit maakt.
Dat is uiteindelijk wat er zou kunnen gebeuren:
de twee belangrijkste constructies
waarop poëzie gebaseerd is (‘het lyrische ik’
en de mogelijkheid tot ‘referentie door middel
van de taal’) worden in het gedicht zodanig
over the top gejaagd dat er opnieuw een realistisch
effect ontstaat, dat zichzelf echter
tegelijk ook weer ondergraaft. Zoals in een
vorige aflevering van dit blad al gesteld: in
het volle besef dat het gedicht vals, manipulatief
en misselijkmakend behaagziek is, gaan
we in yang op zoek naar het gedicht dat deze
epitheta met stijl en inzicht weet te dragen.
Het gedicht zou dan bij uitstek het genre
kunnen zijn waarin de zogenaamd gewone
spreektaal (het parlando van de Gedichtendagdichters
waarover ik het aan het begin had)
geënt wordt op niet zozeer de zelf-referentiële
dan wel in hoge mate zelfbewuste
taal van de hedendaagse dichtpraktijk. Alle
aspecten van spreektaligheid komen hiervoor
in aanmerking: de slordigheid waarmee met
woorden wordt omgesprongen, de achteloosheid
waarmee imperatieven worden
gebruikt (‘speel mee en win!’), de verborgen
agenda die spreekt uit sommige modale
werkwoorden (‘je moet je dat niet zo aantrekken’),
de regionale verschillen die uit de
hedendaagse Nederlandse (lees: Randstad-
Hollandse) poëzie totaal zijn weggefilterd en
zo meer. Door ons, met ons en in ons spreekt
de retoriek van onze taal, die onze taal is en
onze ideologie.
| |